De Oudere Generatie aan het woord
Erg vernederend vond ik de manier waarop de meester-opzichter op het
matje werd geroepen. Er werden over en weer nog harde woorden gewisseld,
maar wat er nu eigenlijk aan de hand wist ik niet, ik was drukdoende met
het uitschrijven van de bonkaarten. Wanneer wij, de bazen na de dienst
in de opzichterskamer moesten zijn om de opvoer van kolen, stenen enz te
noteren, gebeurde het wel vaker dat een ondergrondse opzichter met vuile
werkkleding rond liep. De toenmalige ingenieur maakte hier een einde aan.
Tijdens een wissel van de dagdienst naar de middag-dienst deed zich het
volgende opmerkelijke geval voor. Ik stapte het kantoortje binnen waar
de chef, de dienstdoende baas en de hoofdopzichter bovengronds aanwezig
waren. Het had die morgen op de ochtenddienst niet lekker gelopen, en omdat
wij al weken hadden geklaagd dat er te weinig mensen waren, waren er op
deze maandagmorgen drie werkers gekomen die afkomstig waren van bedrijven
buiten de mijn. Deze drie mensen werden op schacht II geplaatst waar ze
samen met een vaste medewerker het werk moesten doen. Wanneer ze dit werk
hand in hand deden was het niet zo zwaar. Maar wat bleek, een van de drie
was liever lui dan moe, hierdoor ontstonden problemen in de groep en liep
het werk niet. De hoofdopzichter gaf ons de opdracht de man meteen de laan
uit te sturen. Dit gebeurde dan ook enkele dagen later, waardoor de overgebleven
mensen meer moesten doen. Wanneer er iemand naar de wc moest of een boterham
wilde eten ging het weer helemaal mis. Dan begon dat vervloekte gebel weer.
eerst naar de hoofdopzichter, deze belde weer naar de losvloer, waar hij
weer te horen kreeg dat er te weinig mensen waren. Waarop de hoofdopzichter
antwoordde;" je stuurt ze toch zelf naar huis" terwijl hij diegene was
die de opdracht had gegeven mensen naar huis te sturen. Het is haast niet
te geloven, waarmee ik nog eens wil benadrukken dat je van je meerdere
geen steun kon verwachten.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers