Deel 11

Dat mijn verhaal in deze krant goed wordt gelezen, blijkt wel uit het feit, dat veel lezers mij er op gewezen hebben dat een van mijn verhalen niet compleet was. Namelijk het verhaal over het hergebruik van kolengruis. Hierbij heb ik niet vermeld dat er ook klei of leemgrond door vermengd werd. Na het drogen werden er dan kluten van gemaakt. Hiervan komt dan ook het gezegde "klutendrek" (kachel-as) . Na de bouw van de Brunssumse bioscoop, ben ik naar een andere baas gestapt, en gaan werken bij aannemer Hendrik Verhoren. Bij deze aannemer ging ik dan ook meer verdienen, het uurloon werd nu 17 cent per uur, dat was dan per week F 6,80, een hele vooruitgang dus. Inmiddels was ik 15 jaar geworden en flink uit de kluiten gewassen, en ook iemand die van aanpakken wist. Mijn eerste werkplek was de bouw van een dubbele woning in A ge Water. Deze werden gebouwd in opdracht van de families Jup Peters en Adam Peters. Nadat de kelders en de fundering waren uitgediept werd er beton gestort, natuurlijk zonder betonmolen. Omdat het water in dit waterrijk gebied te weren, werden er gleuven gegraven die het water afvoerde naar een diepe kuil. Deze kuil moest regelmatig worden leeggepompt, zolang tot dat het beton gehard was. Dit moest ook s´nachts gebeuren en om een paar dubbeltjes bij te verdienen stelde ik mij ook ter beschikking. Achteraf gezien viel dit toch wel erg tegen. Het was erg winderig waardoor het erg koud aanvoelde, en extra kleding was er niet. Er was geen straatverlichting dus was het erg donker, wat ik als 15 jarige jongen toch wel eng vond. Maar ja, afspraak was afspraak. Nadat het beton droog was begon het metselwerk, de metselaars waren de gebroeders Hendrik en Frans Verhoren en een Duitser als handlanger. Bij het stenen aanvoeren met behulp van een kruiwagen (sjurgkar) hielp ik mee. Het naar boven dragen van de stenen op een plank lukte mij niet.
Ook hielp ik mee metselspecie te maken, dit gebeurde op de grasstrook langs de beek, maar dit specie maken was vlugger gezegd dan gedaan. Eerst werd het zand gezeefd, want er zaten kleine steentjes in.
Dit gebeurde met een grote zeef ter grootte van 100cm bij 160cm, deze werd schuin tegen een paar paaltjes gezet. Het zand werd er dan tegenaan gegooid, dit lukte niet wanneer het zand nat was, deze bleef dan aan de zeef plakken. Daarna werd het zand op de mengplaten geschept, cement er overheen en dan drie keer omscheppen. Dan werd er in het midden een kuiltje gemaakt, daarin kwam dan de nodige kalk en water. Met een gebogen schop werd die kalk dan geleidelijk door het zandmengsel heen geschept. De handlangers moesten altijd een half uur eerder beginnen om de specie te maken, dat duurde wel twintig minuten. Maar de metselaars vonden het niet erg om te wachten, het waren beide duivenmelkers in hart en nieren. Onder het stoppen van hun pijp met tabak, die bewaard werd in een gedroogde varkensblaas, stonden ze vaak stil naar de lucht te kijken. Ze wachten dan of hun blauwe, rooie, de wit pen of sjek niet kwam overvliegen. Bij mijn vorige werkgever was dit niet mogelijk geweest. Waterleiding was in die tijd nog niet, voor de familie Dohmen - Janssen, beter bekend als " Bertje va Maane " moest er aan de voet van de Kloosterlaan aan een waterput gemaakt worden. Joep van de Pieper ging deze maken en vroeg mij hem daarbij te helpen. Wanneer het gat diep genoeg was werd het zand door middel van een handlier, bevestigd aan een driepoot, met een emmer naar boven gehaald. Met deze lier werden ook de putringen op elkaar geplaatst. Na een hapje eten en een kleine pauze werd er flink doorgewerkt, maar de klok stond niet stil en het was ´s avonds 10.00 uur toen Pieper tegen mij zij: " We gaan een paar uur slapen, dan gaan we morgenvroeg om 5 uur weer verder, oké?." Toen wij de volgende ochtend het water dat zich verzameld had eruit geschept hadden, zagen wij tot onze schrik dat de op een na onderste ring ongeveer 10 centimeter was verschoven en de onderste ring tot de helft.
Volgens onze opdrachtgever was de oorzaak hiervan de drijfzanddruk uit de berg. Herstellen hiervan was niet meer mogelijk, en werd het werk dan ook stopgezet. Wie weet zitten deze ringen nu al onder de bloemenzaak van de Vries. Het is maar goed dat dit beschreven wordt, want anders zouden later de geleerden bij opgravingen zich hun hoofd breken of deze afkomstig zijn uit het tijdperk van de Bataven en de Noormannen. Nee, dit is gewoon uit het tijdperk van Pieper- Rademakers anno 1929.

Blijf kijken , blijf lezen , ik kom terug. Pierre Rademakers
 

Deel  12

Na de meevaller van loonsverhoging, kwam ook de tegenvaller. Dit was de grote werkloosheid in de bouwwereld. Toch bofte ik weer, de weg Schinveld- Brunssum zou door de Provinciale Staten verlegd worden. De bestaande grindweg werd vervangen door een asfaltweg met aan een kant een fietspad. Er werd meteen op af gegaan, en jawel, ik mocht als grondwerker beginnen. Toen de werkzaamheden begonnen ging ik gewapend met een schep mij melden bij de uitvoerder de heer Somers. De landmeters hadden inmiddels de middenberm van de nieuwe weg uitgestippeld met paaltjes. Er kon een begin gemaakt worden met de voorbereidende werkzaamheden. Iedereen had al een taak gekregen, maar ik stond nog steeds te wachten. De baas zei toen tegen mij: " Zet de schep maar in de keet want jij gaat met mij mee." De kruiwagen werd volgeladen met een bandmaat, moker-hamer, waterpas, piket-paaltjes, sjalons en zichten. De lange waterpaslat nam de baas zelf in de hand. Zo gingen wij op weg, en ik onderweg maar denken:" Wat is hij met mij van plan?" Hij verwachtte zeker dat ik in de bouw wel geleerd had met een waterpas om te gaan en dat ik wel zou weten dat een meter honderd centimeter was. Wij liepen richting Brunssum, voorbij het " Hootbrook", dit bosje lag aan de linkerkant waar nu de rotonde ligt. Op het beginpunt aangekomen werd er door Somers en mij over een lengte van een paar honderd meter de hoogte van de middenberm vastgelegd. De weg naar Schinveld liep bergaf, dus moesten ook de paaltjes gelijkmatig aflopen, daar gebruikten wij die zichten voor. Weer bij het begin van de weg aangekomen kwam de breedte van de weg, de groenstrook en het fietspad aan de beurt. Het verval van het midden van de weg tot aan de greppel was 16 cm. dit is toendertijd zo vaak gezegd dat ik het nooit zal vergeten. Ik bediende de waterpas en Somers nam de maten en sloeg op hoogte de paaltjes in de grond. Zo hebben wij op primitieve manier en met de genoemde hulpmiddelen deze hele weg uitgezet.
Wat een verschil met de meetinstrumenten van tegenwoordig. De weg bij de bovenste molen liep door een weiland met bomen, hier was een houthakker bezig een partij van die zware bomen te kappen, per ongeluk kwam er een boom dwars over de nog in gebruik zijnde grindweg terecht. Wij waren een paar honderd meter verder aan het werk toen wij een harde klap hoorden, daar aangekomen zagen wij een auto met zijn achterkant richting boom staan, dat was vreemd, maar wat was er nu gebeurd? Een krijtwitte maar ongedeerde Arnold Thissen (opa van Ad Thissen) verklaarde:" Ik heb even niet opgelet, ik keek naar, hoe de weg zou komen te lopen, en door die bocht naar rechts heb ik die boom niet zien liggen." Hoe het precies gebeurd was kon hij niet vertellen, maar een aks (bijl), die de houthakker nadat hij de takken van de bomen had afgekapt tegen de midden op de weg liggende boom had neergezet heeft erger voorkomen. De auto´s van vroeger hadden een grote gril, daarin stak de steel van de aks en deze heeft de auto als het ware opgetild. De beschadigde auto kon nog verder rijden. Na dit voorval werd het werk hervat, alle grond die moest worden afgegraven, dit gebeurde met de schep en het werd met paard en wagen afgevoerd. Het was opvallend dat de uitvoerder mij vaak vroeg wat ik ervan dacht, hoe ik dat zou doen enz. Op een gegeven ogenblik zei hij tegen mij: " Ga naar binnen (keet) en ga de loonlijsten maken." Daar keek ik van op, die had ik nog nooit gezien. Nou ga maar, ik kom zo, vulde hij aan. Ook moest ik vaak de leveringsbonnen afrekenen enz. enz. Ik werd overal voor ingeschakeld. Aan dit werk kwam ook weer een einde." Wat nu ?" vroeg ik aan Somers. "Jij gaat mee naar Roermond, ook voor een groot project", zei hij. " dat kan niet " zei ik: hoe kom ik daar, een fiets heb ik niet eens. Er was wel een woonwagen waar ik in kon verblijven. Bah, een woonwagen dat is voor zigeuners, nee, daar bedankte ik mij voor." Dan ga ik nog liever naar de mijn", was mijn antwoord. Somers is nog enkele malen bij ons thuis geweest om mij over te halen. Later werd mij duidelijk dat hij de bekende kruiwagen voor mij klaar zette, maar ik pakte hem niet op. Wie weet waar ik terecht was gekomen, in den lande.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers

Terug naar startpagina
 

email: haijdenh@brunssum.net