Deel 13

In mijn vorige aflevering gaf ik al aan dat ik liever naar de mijn zou gaan dan in een woonwagen te kruipen, dit is dan ook niet gebeurd. Maar moet dat nog, over de mijnen schrijven? Er zijn al zo veel verhalen in omloop, vooral over de ondergrondse werkzaamheden. Het bovengrondse dat was ook mijn MIJN, en dan nu toch maar iets over mijn, MIJN-periode. Na overleg met mijn moeder gingen wij samen naar de tegenover ons wonende heer Willem Jacobs, opzichter van de bovengrondse afdeling, losvloer en zeverij van ST.M. Hendrik. Wij vroegen hoe en waar te solliciteren. De heer Jacobs noteerde mij leeftijd en persoonlijke gegevens en zei tegen mijn moeder:” Laat hem maar keuren in de verbandkamer, daarna komt hij weer bij mij”. In die tijd ging dat zomaar. Op 26 mei 1930 moest ik mij voor mijn eerste werkdag melden onder het werknummer 8249. In het donkerste stoffige ”ondergrondse” badlokaal kreeg ik voorlopig een kleerhaak aangewezen. Ik dacht dat de heer Jacobs mijn baas werd, maar dat was niet zo. Ze brachten mij naar de leerling werkplaats. Nou ja, een vak leren is zo gek nog niet. Ik zal nooit vergeten dat ik na mijn eerste werkdag in het badlokaal kwam en zag dat de werklui in hun blootje van en naar de badhokken liepen. Dat was en ging tegen mijn gevoelens in, dat was voor mij een zware doodzonde. Zelf heb ik toen mijn boven-kleding verwisseld en ben ongewassen naar huis gegaan.Na een paar weken werd vanwege de heersende crisis en de daaruit voort-vloeiende bezuinigingen deze instelling opgeheven.Ik werd overgeplaatst naar het laboratorium voor kolen onderzoek in de wasserij. Om te beginnen werd mij geleerd hoe ik overal in de wasserij monsters moest nemen van alle nootjes kolen, fijnkool, slik, mix, stenen en het van kolenstof gezuiverde water dat later in onze beek terecht zou komen. Het was interessant en druk, maar geen zwaar werk, het enige wat mij stoorde waren de zaterdag diensten.

Er bestond toen nog geen vrije zaterdag. De ondergronders en de mensen van de losvloer hadden de korte diensten en wel van 6.00 tot 12.00u./ 12.00 tot 18.00u./ 18.00 tot 24.00u.voor de andere afdelingen was dat van 6.00 tot 14.00u./ 14.00 tot 22.00u./ 16.00 tot 24.00u.Op deze laatste afdeling had je maar om de drie weken een vrije zaterdag middag. In verband met mijn verenigings-aktiviteiten heb ik dan na 2 jaar laboratorium overplaatsing gevraagd naar de losvloer. Toen kwam ik alsnog bij de Schinveldenaar Jacobs terecht. Tjonge jonge, wat had die man een hoop dorpsgenoten om zich heen verzameld, waaronder zijn drie broers, Joep en Karel Jacobs uit Schinveld en Math Jacobs uit Brunssum. Een tijd geleden heb ik een lijst gemaakt van alle werknemers uit ons dorp die ik me nog herinner.Het waren meer dan 40 werknemers, en dat bij een aantal van 90 werknemers op drie diensten, dat was meer dan de helft uit Schinveld. Van daar dan ook het gezegde, “de luuj va oos koel”. Toch wil ik hier enkele namen noemen van die mannen met wie ik toen als twintigjarige heb samengewerkt, en ik noem ze zoals ze toen genoemd werden, Fritske Cremers, Zef Jessen, Frenske Geraets, Willem Wagenaar, Sjeng Senden enz.enz. Hoe alle familie´s in elkaar zitten weet ik niet, maar als voorbeeld noem ik Sjeng Senden (overleden) zijn zoon Jos Senden, onderwijzer (overleden) zijn kleizoon, Jan Senden, ook al op leeftijd, en zijn achterkleinzoon Twan Senden U kent hem wel. Ik loop nog steeds hier rond, ben dan wel nog niet zo oud, maar als ik Twan zou vertellen dat ik nog met zijn overgrootvader heb samengewerkt, zal hij wel denken: “Wat is er mis met die man?. Wanneer ik over het hier vertelde voorbeeld nadenk, dan vraag ik me wel eens af, leef ik nog wel of lig ik tussen de vier planken nog wat na te dromen?.
Het is dus nog niet zo en daarom,
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.  Pierre Rademakers
 
 

 
 Deel  14
 

Ik ga nu verder na mijn verplaatsing naar de toen nog losvloer, ook wel eens de schacht genoemd. Deze losvloer was eigenlijk een verlengstuk van het ondergrondse vervoer. Het had alles te maken met het vervoer van mensen, materiaal en kolen. Met de kooi (lift) konden 60 mensen tegelijk naar beneden. Vier etages, wanneer de ene kooi naar beneden ging, kwam de andere kooi met evenveel mensen naar boven. Zo kwamen er ook per etage twee volle wagens mee naar beneden of naar boven. Dit alles was in het kort gezegd ”het hele eieren eten”. De werkelijkheid was toch wel anders. Deze afdaling was verdeeld in drie werkvloeren, te weten in schacht 1 en 2 en de zeverij. Om met schacht 2 te beginnen dat was waar de kolen van 730 meter diepte naar boven kwamen. Deze werkvloer was niet zo groot, maar er moest heel wat werk verzet worden. Ik zou haast zeggen, op een vierkante meter, alles moest hier met de handen in een snel tempo aangepakt en versjouwd worden. Een vijftig meter lange gang met wagensporen en kettingbanen zorgde voor de lege wagens aan de achterkant van de schacht. Gelukkig kwamen de wagens hier niet met veel vaart aangerold, zoals op schacht 1. Dit zou dan zeker veel pietsjblaren (bloedblaren) en botjesbreuken opleveren. Aan de voorkant bevond zich ook een gang met spoor-en kettingbanen, die zorgde voor de afvoer van de naar boven komende volle wagens richting werkvloer schacht 1. Daar aangekomen liepen de wagens een steile helling af, zodat deze met een grote snelheid over de sporen rolden. De hele vloer van schacht 1 liep bergaf, waardoor de wagens voor de kiepstoel vanzelf in beweging kwamen. Niet alleen de volle wagens van schacht 1, maar ook de wagens van schacht 2 en 3 kwamen hier samen.  Wanneer de drie schachten volop draaiden was het gezien de hoge snelheid waarmee de wagens rolden een gekkenhuis en gevaarlijk voor de mensen die voor de bediening zorgden.
Er werd van alles naar boven vervoerd, o.a. kolen, stenen, hout en ijzermaterialen. In het begin van mijn losvloerjaren werd er ook nog de heerlijk ruikende paardenmest naar boven gebracht. Voor de mensen die het niet weten, in die tijd werd voor alle vervoer ondergronds, volle en lege kolenwagens door paarden getrokken. Ik was er zelf als seingever, tussen 1942 en 1944, bij, toen het, zoals men beweerde, blind geworden, laatste paard met kooi van schacht 1 naar boven kwam. Nadat het paard op de begane grond (Maaiveld) aangekomen was werd het meteen in een veewagen geladen. Nu weer terug naar de dertiger jaren. Wanneer er alles volop draaide kreeg men vaak te maken met storingen en stilstanden, vooral wanneer er veel stenen of ander materiaal tussen de kolen op de leesband in de zeverij (werkvloer 3 ) zaten. Dit ging dan niet zo vlug, want dit moest er allemaal uitgelezen worden (zo noemde men dat). Stond de kolenwipper dan te lang stil, dan was de eerste die hierop reageerde Nol Frederiks, die overigens nu met harde hand als Zijne Hoogheid Prins Nölke de 1e de septer zwaait over het verzorgingshuis Aan de Bleek. Hij legde dan de wissels om naar andere sporen in samenwerking met de man die verderop de andere wissels bediende. Dit was vaak kunst en vliegwerk. Om nog even bij onze Prins te blijven, ik schreef over de 8 wagens die twee per etage naar boven kwamen, deze wagens waren door een koppeling met elkaar verbonden. Deze moesten dan afgehaakt worden want er kon maar een wagen in de kiepstoel. Wanneer de wagens van de kooi werden afgebokst, het konden ook twee kooien tegelijk zijn, was het Nölke die met behulp van een haakje de wagens ontkoppelde, met vermelding dat hij dit werk meer dan vijfentwintig jaar heeft gedaan.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers

Terug naar startpagina

email: haijdenh@brunssum.net