In mijn vorige aflevering gaf ik al aan dat ik liever naar de mijn zou gaan dan in een woonwagen te kruipen, dit is dan ook niet gebeurd. Maar moet dat nog, over de mijnen schrijven? Er zijn al zo veel verhalen in omloop, vooral over de ondergrondse werkzaamheden. Het bovengrondse dat was ook mijn MIJN, en dan nu toch maar iets over mijn, MIJN-periode. Na overleg met mijn moeder gingen wij samen naar de tegenover ons wonende heer Willem Jacobs, opzichter van de bovengrondse afdeling, losvloer en zeverij van ST.M. Hendrik. Wij vroegen hoe en waar te solliciteren. De heer Jacobs noteerde mij leeftijd en persoonlijke gegevens en zei tegen mijn moeder:” Laat hem maar keuren in de verbandkamer, daarna komt hij weer bij mij”. In die tijd ging dat zomaar. Op 26 mei 1930 moest ik mij voor mijn eerste werkdag melden onder het werknummer 8249. In het donkerste stoffige ”ondergrondse” badlokaal kreeg ik voorlopig een kleerhaak aangewezen. Ik dacht dat de heer Jacobs mijn baas werd, maar dat was niet zo. Ze brachten mij naar de leerling werkplaats. Nou ja, een vak leren is zo gek nog niet. Ik zal nooit vergeten dat ik na mijn eerste werkdag in het badlokaal kwam en zag dat de werklui in hun blootje van en naar de badhokken liepen. Dat was en ging tegen mijn gevoelens in, dat was voor mij een zware doodzonde. Zelf heb ik toen mijn boven-kleding verwisseld en ben ongewassen naar huis gegaan.Na een paar weken werd vanwege de heersende crisis en de daaruit voort-vloeiende bezuinigingen deze instelling opgeheven.Ik werd overgeplaatst naar het laboratorium voor kolen onderzoek in de wasserij. Om te beginnen werd mij geleerd hoe ik overal in de wasserij monsters moest nemen van alle nootjes kolen, fijnkool, slik, mix, stenen en het van kolenstof gezuiverde water dat later in onze beek terecht zou komen. Het was interessant en druk, maar geen zwaar werk, het enige wat mij stoorde waren de zaterdag diensten.
Er bestond toen nog geen vrije zaterdag. De ondergronders en de mensen
van de losvloer hadden de korte diensten en wel van 6.00 tot 12.00u./ 12.00
tot 18.00u./ 18.00 tot 24.00u.voor de andere afdelingen was dat van 6.00
tot 14.00u./ 14.00 tot 22.00u./ 16.00 tot 24.00u.Op deze laatste afdeling
had je maar om de drie weken een vrije zaterdag middag. In verband met
mijn verenigings-aktiviteiten heb ik dan na 2 jaar laboratorium overplaatsing
gevraagd naar de losvloer. Toen kwam ik alsnog bij de Schinveldenaar Jacobs
terecht. Tjonge jonge, wat had die man een hoop dorpsgenoten om zich heen
verzameld, waaronder zijn drie broers, Joep en Karel Jacobs uit Schinveld
en Math Jacobs uit Brunssum. Een tijd geleden heb ik een lijst gemaakt
van alle werknemers uit ons dorp die ik me nog herinner.Het waren meer
dan 40 werknemers, en dat bij een aantal van 90 werknemers op drie diensten,
dat was meer dan de helft uit Schinveld. Van daar dan ook het gezegde,
“de luuj va oos koel”. Toch wil ik hier enkele namen noemen van die mannen
met wie ik toen als twintigjarige heb samengewerkt, en ik noem ze zoals
ze toen genoemd werden, Fritske Cremers, Zef Jessen, Frenske Geraets, Willem
Wagenaar, Sjeng Senden enz.enz. Hoe alle familie´s in elkaar zitten
weet ik niet, maar als voorbeeld noem ik Sjeng Senden (overleden) zijn
zoon Jos Senden, onderwijzer (overleden) zijn kleizoon, Jan Senden, ook
al op leeftijd, en zijn achterkleinzoon Twan Senden U kent hem wel. Ik
loop nog steeds hier rond, ben dan wel nog niet zo oud, maar als ik Twan
zou vertellen dat ik nog met zijn overgrootvader heb samengewerkt, zal
hij wel denken: “Wat is er mis met die man?. Wanneer ik over het hier vertelde
voorbeeld nadenk, dan vraag ik me wel eens af, leef ik nog wel of lig ik
tussen de vier planken nog wat na te dromen?.
Het is dus nog niet zo en daarom,
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug. Pierre Rademakers
Ik ga nu verder na mijn verplaatsing naar de toen nog losvloer, ook
wel eens de schacht genoemd. Deze losvloer was eigenlijk een verlengstuk
van het ondergrondse vervoer. Het had alles te maken met het vervoer van
mensen, materiaal en kolen. Met de kooi (lift) konden 60 mensen tegelijk
naar beneden. Vier etages, wanneer de ene kooi naar beneden ging, kwam
de andere kooi met evenveel mensen naar boven. Zo kwamen er ook per etage
twee volle wagens mee naar beneden of naar boven. Dit alles was in het
kort gezegd ”het hele eieren eten”. De werkelijkheid was toch wel anders.
Deze afdaling was verdeeld in drie werkvloeren, te weten in schacht 1 en
2 en de zeverij. Om met schacht 2 te beginnen dat was waar de kolen van
730 meter diepte naar boven kwamen. Deze werkvloer was niet zo groot, maar
er moest heel wat werk verzet worden. Ik zou haast zeggen, op een vierkante
meter, alles moest hier met de handen in een snel tempo aangepakt en versjouwd
worden. Een vijftig meter lange gang met wagensporen en kettingbanen zorgde
voor de lege wagens aan de achterkant van de schacht. Gelukkig kwamen de
wagens hier niet met veel vaart aangerold, zoals op schacht 1. Dit zou
dan zeker veel pietsjblaren (bloedblaren) en botjesbreuken opleveren. Aan
de voorkant bevond zich ook een gang met spoor-en kettingbanen, die zorgde
voor de afvoer van de naar boven komende volle wagens richting werkvloer
schacht 1. Daar aangekomen liepen de wagens een steile helling af, zodat
deze met een grote snelheid over de sporen rolden. De hele vloer van schacht
1 liep bergaf, waardoor de wagens voor de kiepstoel vanzelf in beweging
kwamen. Niet alleen de volle wagens van schacht 1, maar ook de wagens van
schacht 2 en 3 kwamen hier samen. Wanneer de drie schachten volop
draaiden was het gezien de hoge snelheid waarmee de wagens rolden een gekkenhuis
en gevaarlijk voor de mensen die voor de bediening zorgden.
Er werd van alles naar boven vervoerd, o.a. kolen, stenen, hout en
ijzermaterialen. In het begin van mijn losvloerjaren werd er ook nog de
heerlijk ruikende paardenmest naar boven gebracht. Voor de mensen die het
niet weten, in die tijd werd voor alle vervoer ondergronds, volle en lege
kolenwagens door paarden getrokken. Ik was er zelf als seingever, tussen
1942 en 1944, bij, toen het, zoals men beweerde, blind geworden, laatste
paard met kooi van schacht 1 naar boven kwam. Nadat het paard op de begane
grond (Maaiveld) aangekomen was werd het meteen in een veewagen geladen.
Nu weer terug naar de dertiger jaren. Wanneer er alles volop draaide kreeg
men vaak te maken met storingen en stilstanden, vooral wanneer er veel
stenen of ander materiaal tussen de kolen op de leesband in de zeverij
(werkvloer 3 ) zaten. Dit ging dan niet zo vlug, want dit moest er allemaal
uitgelezen worden (zo noemde men dat). Stond de kolenwipper dan te lang
stil, dan was de eerste die hierop reageerde Nol Frederiks, die overigens
nu met harde hand als Zijne Hoogheid Prins Nölke de 1e de septer zwaait
over het verzorgingshuis Aan de Bleek. Hij legde dan de wissels om naar
andere sporen in samenwerking met de man die verderop de andere wissels
bediende. Dit was vaak kunst en vliegwerk. Om nog even bij onze Prins te
blijven, ik schreef over de 8 wagens die twee per etage naar boven kwamen,
deze wagens waren door een koppeling met elkaar verbonden. Deze moesten
dan afgehaakt worden want er kon maar een wagen in de kiepstoel. Wanneer
de wagens van de kooi werden afgebokst, het konden ook twee kooien tegelijk
zijn, was het Nölke die met behulp van een haakje de wagens ontkoppelde,
met vermelding dat hij dit werk meer dan vijfentwintig jaar heeft gedaan.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers