Snel kreeg ik op de staatsmijnen een vaste werkplek aangewezen. Ik moest de kolenwipper 4 gaan bedienen, het was de verst afgelegen en ook de moeilijkste van alle vier, want alle lege wagens van de vier wippers moesten naar een van de drie kettingbanen. De wipper 1 en 2 hadden daar geen hinder van, maar voor 3 en 4 was het wissels omgooien.Steeds een andere richting uit, zodat ze niet tegen elkaar zouden rollen. Wanneer er lege wagens van de rails liepen, stonden deze weer snel op het spoor. Anders was het als er stenen in de wagens lagen. Om in de steenbaan te komen moest ik de twee banen doorkruisen, o wee als een van de anderen ook toevallig wagens met stenen door liet, dan probeerde je met een remhout deze wagens tot stilstaan te brengen. Wanneer het spoor nat was dan lukte het niet en liep de hele zaak in elkaar en vlogen meestal een paar volle wagens onderste boven. Zelf zocht je dan snel een veilig heenkomen. Toch hadden deze vier bedieningsmensen een verantwoordelijke taak. De staatsmijn Hendrik had vetkolen en magere kolen. Deze bedieningsmensen zorgden dat deze gescheiden in de daarvoor bestemde bunkers terecht kwamen. Hier werd dan ook streng op toegezien. Aan iedere wagen hing een penning, hieraan kon men zien van welke afdeling ze kwamen. Hier hoefden wij niet op te letten, wel op de apart gemerkte penningen, deze waren ook anders van vorm. Deze gaven aan dat het magere kolen waren, dit waren kolen die, nadat ze in de wasserij van stenen en ander materiaal gezuiverd waren, als goed brandende “ antracietkolen “ in onze kolenhokken terecht kwamen. Als wij de penningen van de wagens haalden moesten wij erop letten of het overvolle, volle of minder volle wagens waren. Wij deponeerden de penningen dan respectievelijk in de rode, witte of blauwe vak in de daarvoor bestemde kist.
De penningen werden ieder uur opgehaald, daarna soort bij soort gesorteerd en geteld. De mensen aan het kolenfront werkten in akkoord en aan de hand van de penningen wist men dan hoeveel kolen er gedolven waren. Onze diensten begonnen met een half uur personenvervoer van en naar de ondergrondse werkplek. Hier moest een deel van de bezetting aan meewerken. Wanneer de kooi met de mensen naar boven kwam moesten de schachtdeuren op alle vier de etages opengemaakt worden, zowel de voor- als achterkant. De “zwarte” mensen stapten aan de voorkant uit en de nieuwe lichting mensen aan de achterkant in. Wanneer alles dicht en veilig was werd er, door middel van een lampje dat ook bij de seingever in een schakelkast ging branden, het sein voor vertrek naar beneden gegeven. Hierna moesten wij aan een stuk door, de kiepstoel bedienen, schafttijd en een schaftlokaal was er op deze afdeling niet, dus werden onze boterhammen onder het werk met zwarte handen opgegeten. Wanneer je naar de w.c. moest werd dit door een niet erg florisante houding aan te nemen aan de ploegbaas duidelijk gemaakt. Bij het kolenkiepen had je beide handen nodig, met je linkerhand werden de wissels van de kiepstoel bediend en de penning eraf gehaald. Met de rechterhand werd de rem bediend, met een hendel die boven je hing de pallen opengemaakt, de penningen eraf gehaald en dan de wagen vastpakken zodat hij midden in de kiepstoel kwam te staan. Met de rechtervoet werd de wagenduwer bediend, het was uitkijken geblazen dat niet een van je ledematen tussen de wagens kwam.
Zie foto nr. 10.
Deze is niet van de Hendrik maar van de Emma uit 1966.
In het midden kan men de twee ronde kasten zien, daarin de kiepstoelen.
Die kasten zijn er later omheen gemaakt voor de stof. Voor zo´n kiepstoel
deden wij dan ons werk laverend tussen al de sporen die deels zichtbaar
zijn.
Blijf kijken , blijf lezen , ik kom terug. Pierre Rademakers
Deel 16
Geachte lezers, in mijn vorige uitgave heb ik geprobeerd jullie een
inzicht te geven wat de losvloer eigenlijk voor een afdeling is geweest.
Toch kom ik hier later nog eens op terug. Ook op de foto zagen jullie maar
twee kolenwippers maar op de oude losvloer waren het er vier, en met de
steenwipper zelfs vijf. Dus ook meer spoor. En al dat spoorgedoe had je
zowel aan de voorkant als aan de achterkant van schacht 1 . Nu wil ik een
jaartje terug schakelen, toen ik, en nog meer jonge mannen van mijn leeftijd
opgeroepen werden voor de militaire dienst. Omdat mijn oudste broer wegens
zijn kostwinnerschap van ons gezin vrijstelling had gekregen moest ik wel
gaan. Wanner men om de een of andere reden de lange diensttijd wilde verkorten,
kon men zich opgeven voor de vrijwillige landstorm ( vooroefenings instituut.
Men moest dan een heel jaar een avond in de week deze oefening volgen tot
300 uren per jaar. Wanneer je dit jaar vol maakte hoefde je maar zes weken
in werkelijke dienst. Ook ik had mij voor de vrijwillige landstorm opgegeven.
Ik werd op 16 september 1932 gekeurd te Sittard en geschikt bevonden. Andere
jongens van mijn lichting werden in Hoensbroek gekeurd. Ik hoor en zie
het nog voor me, ze kwamen dan de Brunssummerweg af, en maar zingen zoals;
“Streepje aan de broek, streepje aan de broek omdat wij soldaten zijn”.
Ook werd er in het Duits gezongen; “Soldatenleven dat zal lustig zijn”,
enz.enz.. De bewoners van de straat kwamen naar buiten, ze zagen dan dat
degene die goed gekeurd waren een drie centimeter breed oranje lint aan
beide broekspijpen droegen. Ze feestten dan de hele middag café
in en café uit. Nadat ik het militaire uniform, de complete uitrusting
en het geweer had ontvangen was het eind november 1932. De eerste oefeningen
werden gehouden in een gymnastieklokaal in Brunssum.(Wilhelmina-of Julianastraat).
Deze oefeningen werden geleid door een beroeps-sergeant, maar deze
werd ook wel eens vervangen door Coen van de Koster(Janssen) die naar men
zei ook sergeant onder dienst was, hoofdzakelijk verving hij als er een
afstandsmars werd gelopen. Wij waren met ongeveer tien mensen, enkele namen
weet ik me nog te herinneren zoals ene Knubben uit Brunssum, en Eugéne
Mengelers uit Jabeek. In de gymnastiekzaal leerden wij ook schieten met
scherp, KSO schieten werd dit genoemd. Dit gebeurde met een ander geweer
en van een ander kaliber. Omdat ik in de tijd dat ik bij de vrijwillige
landstorm diende ook nog wisseldiensten draaide op de staatsmijnen moest
ik wanneer ik middagdienst had steeds een collega vragen met mij te ruilen.
Deze dienst was er een waar iedereen een hekel aan had. In het begin en
door tussenkomst van mijn baas lukte dit wel, maar op den duur was dit
geen haalbare zaak meer. Ook mede door het feit dat de oefeningen werden
verplaats naar Hoensbroek en dat ik daar met volle bepakking heen moest
fietsen heb ik na 10 maanden deze vooroefening beëindigd. Nu moest
ik wel de volle zes maanden diensttijd nog uitdienen. Zou het tegenwoordig
nog mogelijk zijn om met een geweer op je rug ´s avonds naar huis
te fietsen? Ik geloof dat je daar niet ver mee komt.
Zie foto nr. 11
Foto uit de oude doos.
De kerk van Schinveld rond 1910.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers