Nadat ik in september 1933 de verbintenis met de vrijwillige landstorm had verbroken kon op mijn werk alles weer zijn normale gang gaan. In het begin van 1934 kreeg ik de oproep om in de eerste dagen van maart in werkelijke dienst te komen. Ik werd ingelijfd bij het 13e- regiment infanterie te Maastricht. Hier had ik ook heen moeten gaan wanneer ik maar zes weken had moeten dienen. Nadat ik weer was voorzien van uniform, uitrusting en geweer kwam ik terecht op de bovenverdieping van paviljoen 4 en bij de 2e-sectie terecht. Op de slaapzaal stonden tafels en stoelen.
Op de foto ziet u enkele van mijn kamergenoten.
Zie foto nr. 13.
De sectie commandant was sergeant Dubois, die door ons ook zwabberkoning
werd genoemd. Hij gaf dan ook de opdracht dat iedere donderdag de slaapzaal
gezwabberd moest worden, bij toerbeurt werden er vier piotten (soldaten)
aangewezen die dan na de diensttijd, wanneer andere vrij waren, deze zaal
te dweilen. Wanneer dit door de soldaten met een flinke natte dweil om
een schrobber in tien minuten geklaard was dan stond soms de commandant
de volgende morgen met zijn kraal-oogjes glurend door zijn kleine brillenglazen
te vertellen dat dit moest worden overgedaan. Wij vermoedden dat hij ergens
op de uitkijk had gestaan. Hij woonde ook tegenover de uitgang van de kazerne
en kon dus zien dat de vier soldaten al na een kwartier naar buiten kwamen.
Dit kon niet, want wanneer je de zaal goed deed poetsen had je zeker drie
kwartier nodig. De luitenant van de eerste en tweede sectie had een heel
slank figuur en een heel chic spaans uiterlijk, het was een beste vent,
deze droeg dan ook de deftige naam “Paraficine di Capelli” met zich mee.
Wij waren dan ook slechte soldaten geweest wanneer wij deze naam niet
gecompleteerd hadden met “De macaroni di vermicelli”. Achteraf hoorden
wij dat de man gewoon Janssen heette. Wij waren nauwelijks ingeburgerd
toen er op 20 maart het bericht binnen kwam dat H.M.Koningin Emma was overleden,
en de opdracht aan de Garnizoens commandanten luide om een groep van 13
man te formeren om aan de begrafenisplechtigheid deel te nemen. In de kazerne
in Maastricht werden uit 100 militairen er 13 uitgekozen om met de begrafenisstoet
mee te lopen. Met een sergeant en een officier werden de 15 mensen waaronder
ook ondergetekende voorzien van een nieuwe uitrusting, d.w.z. alles wat
met leer te maken had als geweerriem, koppelriem, munitietassen, deze hadden
dan de nieuwe, gele leerkleur. Ook werden er nieuwe uniformen uit het magazijn
gehaald, de oude uniformen hadden te veel kleurverschil. Op de dag van
de begrafenis werd er al vroeg naar Den Haag vertrokken waar je bij de
aankomst af moest wachten waar je werd ingedeeld. Van de stoet zag je,
wanneer je meeliep, niet veel. Bij het commando geef acht wist iedere soldaat
dat hij moest lopen. Hier bij te mogen zijn is voor mij toch een hele ervaring
geweest. In de maand mei werd er met 87 soldaten begonnen met oefenen voor
de vierdaagse die op 24 juli in Nijmegen werd gelopen, hierover meer in
mijn volgende inzending.
Blijf kijken , blijf lezen , ik kom terug. Pierre Rademakers
Deel 18
Na de begrafenis van Koningin Emma ging het soldaten leven weer gewoon zijn gang. Op zaterdagmorgen werd het soldij uitbetaald. Op het grasveld voor het hoofdgebouw werden twee lange tafels neergezet, met daarop netjes in gelid stapeltjes geld. Sectie voor sectie kwamen de soldaten aan gemarcheerd, bij de tafel aangekomen maakten zij front. Aan de tafel hadden de betalings-meester en de officier van de week plaats genomen. Wanneer je naam werd afgeroepen mocht je, nadat je eerst met je hakken tegen elkaar had geklikt en de militaire groet had gebracht, met je rechterhand het stapeltje geld van de tafel strijken. Je linker hand moest je onder het overstekend tafelblad houden. Dan weer de militaire groet, rechtsomkeer en afmarcheren, dit alles voor 48 cent. Voor dit bedrag kon men anno 1934 drie pakjes sigaretten a 15 cent of 3 pakjes shagtabak a 13 cent kopen. Op 3 juli 1934 kwam het droevige bericht dat Z.K.H.Prins Hendrik was overleden. Er waren weer manschappen nodig voor deelname aan de begrafenis, deze keer voor de afzetting van de te volgen route door de stad. Vele honderden soldaten werden uitgenodigd, ook ik was weer een van de 13 uitverkorenen. Gestoken in nieuwe uniformen werden wij voorgesteld aan de compagnie commandant.
Zie foto nr.14. Op de foto ziet u dat wij de zwarte rouwband
dragen, voorop staat luitenant Brouwers.
Op foto nr.15. ziet u de tent op het Malieveld in Den Haag, tijdens
de begrafenis van Prins Hendrik in 1934.
Omdat Prins Hendrik de wens had dat er geen uiterlijk vertoon van rouw
zou zijn, werd de zwarte rouwband vervangen door een witte band. Op 10
juli, de dag voor de begrafenis vertrokken wij naar Den Haag, daar werden
wij op het Malieveld in de tenten ondergebracht. De volgende ochtend moesten
wij al vroeg uit de veren (strozaken).
Voordat de stroom toeschouwers in beweging kwam moesten wij al op de
ons aangewezen plek zijn. Onze plaats was op een gedeelte van de Kneuterdijk.
Het was prachtig zomers weer, en ondanks dat wij niet in de zon stonden
voelde je het zweet langs je rug lopen. Geen wonder, met die dikke soldatenkleren
aan en een ijzeren helm op je kop. Wanneer de stoet toen eindelijk in beweging
kwam hoorde je uit alle richtingen: “ Geef acht! “ en met het geweer aan
je voeten stond je dan bewegingsloos te turen naar het geen dat voorbij
trok. Door dit lange bewegingsloze stilstaan kreeg je het gevoel dat niet
de stoet in beweging was, maar dat de stoet stil stond en jij in beweging
was. Er gingen dan ook soldaten tegen de vlakte. Toen dan eindelijk het
commando presenteer het geweer kwam, verwachtte je een stoet zwarte koetsen
en zwart geklede familieleden, maar de overleden Prins Hendrik werd vervoerd
in een witte koets met acht met wit beklede paarden en ook de familieleden
waren in het wit gekleed. Toen wisten we nog niet dat dit ook tot de uitdrukkelijke
wens van de Prins behoorde. Nadat de begrafenis voorbij getrokken was keerden
wij terug naar de tent op het Malieveld. Daar stond gelukkig ook de keukenwagen,
want geloof maar dat wij honger hadden, want er was vanaf zes uur ´s
morgens niet meer gegeten. Toen ik de eerste soldaten met hun etensbakje
zag langskomen zag ik dat er bruine bonen (capucijners) met spek en een
stuk mager vlees op lag. Dit leek me geen echte Limburgse kost en nam dan
ook maar weinig, maar het eten smaakte toch lekkerder dan verwacht. Ik
wilde nog wat gaan halen maar er was niks meer in de pot. Tot zo ver mijn
verhaal over de begrafenis van Prins Hendrik, maar toch nog even het volgende,
op 8 december belde de postbode aan met een grote witte envelop die
niet door de brievenbus ging. De brief was afkomstig van het departement
van Defensie, aangeboden door de minister van Defensie met daarin een portret
van Z.K.H. Prins Hendrik. Deze werd aangeboden als herinnering aan de deelname
tijdens de begrafenis van Z.K.H. Prins Hendrik ondergetekend
11 juli 1934 L.N. Deckers. Wat voor mij nog altijd vreemd
is, dat wel van Prins Hendrik een oorkonde kwam en van Koningin Emma niet.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers