Na vier, vijf dagen was de openlucht slagerij uit het bos verdwenen. Waar heen ? Geen idee. De 3 c.a.a.t. winkel (zo zal ik het maar noemen) was zo uitgebreid dat je er geen kijk op had. Vooral niet tijdens de nachten. Het was een geluk dat het nog geen zomer was, het vlees had dan al eerder op een andere plaats gelagerd moeten worden. De winkel kwam langzaam op orde. Het leek wel een groot winkelbedrijf, waar je met een karretje langs de schappen loopt om boodschappen te doen. Deze 3 c.a.a.t. winkel bestond uit stallen en schuurtjes die gelegen waren aan een lange ringweg. Al deze bouwsels deden dienst als “schappen” en op borden stond aangegeven wat er te koop was.
Zie foto nr. 18.
Op deze foto ziet u een van deze borden. ( peulvruchten en rijst.)
Deze opslagruimtes lagen zo vol dat er niets meer bij kon. Het ging
allemaal in het groot want voor al die grote leger eenheden was het heel
wat nodig. De opslagruimtes mochten niet te dicht op elkaar staan, het
beste was 50 meter uit elkaar. De grote afnemers die meestal met drie of
meer auto´s kwamen probeerden wanneer het donker was zoveel mogelijk
bij elkaar te blijven. ´s Nachts werd er verplicht met gedempt licht
gereden. Om alles in goede banen te leiden was er in deze straat eenrichtingsverkeer.
Maar om een soepel verloop te krijgen, moesten er volgens onze gezagsdragers
meer ruimtes bij komen. Onze kapitein, met de naam ( ik schrijf het zoals
het uitgesproken werd ) Leistikof, was een man met een blozend gezicht.
Hij gaf ons de opdracht om meer van die houten bouwsels te bouwen. Deze
waren dan ook nodig om de overgebleven goederen zoals boter, kaas, worst
enz. op te slaan voor de volgende nacht. De grootte van deze bouwsels was
4x8 meter. Op zekere dag werd de bouw stop gelegd. Wat was aan de hand?
De geruchten gingen dat onze kapitein overgeplaatst was naar een ander
onderdeel. Wij vonden dit vreemd, omdat de man was vertrokken zonder afscheid
te nemen van zijn manschappen. Al gauw kwam aan het licht dat de man liever
iets sterkers dronk dan koffie of limonade. Hij bleek iedere dag dronken
te zijn, vandaar die blozende gezichtskleur. Dit was nog niet alles, er
kwam aan het licht dat hij aan de rekeningen van de gebouwde opslagruimtes
extra kosten toevoegde. Dit om zijn drank te kunnen bekostigen. Een week
later werden wij soldaten verzameld op de binnenplaats van de school. De
nieuwe kapitein hield een donderpreek waarin hij duidelijk maakte dat er
een blaam was gekomen op dit onderdeel. De kapitein, Mr. J.C.v.d.Berg,
een advocaat uit Den Haag, zei dat wij met z´n allen moesten inzetten
om ons van deze blaam te zuiveren. Geloof mij maar dat wij de eerste zes
weken hierna een zware tijd hebben gehad. Wij werden gestraft voor andermans
daden.
Deel ( 22 )
Na verloop van tijd vond er een herindeling plaats van het 3e- legerkorps
waartoe wij ook hoorden. Er werden andere stellingen betrokken, onze fourageplaats
bleef gehandhaafd. Het onderkomen van 3 c.a.a.t. moest verlegd worden naar
“ Elders in Nederland”. Dit laatste schrijf ik om jullie in de sfeer te
brengen van deze uitermate spannende tijd. Het was namelijk verboden om
kenbaar te maken waar je onderkomen was. Trouwens, ook op brieven en kaarten
van af naar huis stond als adres of afzender “ Veldpost “ . Gestoken
in een overal, de meesten van ons gewapend met een hamer of ander gereedschap
trokken wij naar ons nieuwe onderkomen. Inclusief onze 2e- luitenant Lousberg
( midden op de foto met ster ).
Foto 19
Hier werd alles in gereedheid gemaakt. Met groepjes van drie werden
bedden in elkaar getimmerd. In totaal 26 bedden voor onze sectie, een bed
niet breder dan 70 cm. En wat een weelde, op de bedden kwamen echte gevulde
strozakken te liggen. Half november 1939 verhuisden wij, dit ging erg snel.
Naast de militaire uitrusting waren er weinig persoonlijke bezittingen.
Afgezien van enkele toiletartikelen en sport attributen. De 1e- en 2e-
sectie werd onder gebracht op de rechter bovenverdieping, elk in een aparte
klas. Rechts onder deze klaslokalen op de begane grond bevond zich een
zaaltje. In deze zaal werden plannen gemaakt om van alles te organiseren.
Door soldaten die een muziek instrument bespeelden, werd een orkest gevormd.
Ook ik nam mijn instrument mee, in de eerste plaats om in het orkest mee
te kunnen spelen en in de tweede plaats om de mogelijkheid te hebben om
te kunnen repeteren. Nu komt er een verjaarde schuldbekentenis aan de fanfare.
Ik heb namelijk zonder permissie van het bestuur mijn instrument meegenomen.
Op zondagavond bond ik mijn instrument, in die tijd nog zonder koffer,
op de bagagedrager van mijn fiets. Op naar het station van Heerlen, daar
werd de fiets in de loods gezet en ben ik op de trein gestapt. Op maandagavond
pakte ik mijn instrument om de eerste tonen te spelen, maar o wee, wat
een raar geluid kwam er uit mijn instrument. Had ik soms een waterklep
of een pomp verloren?. Tot mijn schrik zag ik een gebroken pompbuis, dit
euvel was waarschijnlijk ontstaan door de snelbinder. Met wat tape om de
breuk werd er toch gespeeld al waren er problemen met de hoog en laag stemming,
ingewijden weten wat dit betekent. Het orkestje leende wat licht en populaire
muziek van de plaatselijke fanfare St. Willibrord. Hier kwam ook mijn kapotte
instrument ( baritton ) ter sprake. Er werd mij het voorstel gedaan om
lid van hun vereniging te worden. Omdat ze een trombone speler konden gebruiken
mocht ik een instrument lenen. Dit aanbod heb ik toen aangenomen. Tijdens
het oefenen met het orkest klonk mijn muziek weer niet, en toch speelde
ik de juiste noten, ik had niet in de gaten dat deze muziek was geschreven
voor trombone, dus in de Fa-sleutel. Nu had ik in mijn leer periode wel
iets gehoord van een sol en een fa-sleutel maar meer ook niet. Na een paar
dagen leverde ik mijn instrument weer in, met de mededeling “ stel dat
wij soldaten eens plotseling uit het dorp moeten vertrekken vanwege de
spanningen dan zat ik hiermee te kijken”. Was dit een voorgevoel?
Blijf lezen, blijf kijken , ik kom terug.
Pierre Rademakers
email: haijdenh@brunssum.net
Terug naar startpagina