Tijdens de mobilisatie kreeg je ook verlofdagen. Door de heren op kantoor was uitgerekend dat je met deze gelegenheid naar huis kon vertrekken. Je moest dan een pasje voor bus en trein afhalen, maar dit kreeg je vroeger niet. Voor soldaten die zoals ik een langere reisduur hadden klopte die berekening niet. Het gebeurde wel vaker dat er bij aankomst in Heerlen geen busvervoer naar Schinveld was. Daarom ging ik met mijn fiets naar Heerlen, mijn instrument achterop. Omdat ik al een paar keer geen busvervoer naar Schinveld had, ging ik toch maar eens proberen bij de heren op kantoor, of het misschien mogelijk was een trein eerder te vertrekken. Daar werd ik warempel te woord gestaan door een dorpsgenoot. Het was meester Jos Senden, die ook ingedeeld was bij c.a.a.t. maar ik had hem daar niet eerder ontmoet. Ook hij kon mij niet helpen, ofschoon hij mijn vervoerspasje wel eens stiekem van het stapeltje haalde. Ons kwartier was ondergebracht in de Abdij van Berne, met het gymnasium te Heeswijk.
Zie foto nr. 20.
Hier ziet u de Abdy van Berne met Gymnasium, Heeswijk bij Den Bosch.
Meester Senden strikte mij om in het soldatenkoor te komen zingen. Hij
wist dat ik als tenor had gezongen in zangvereniging Oranje onder leiding
van P.Thissen. Enkele werken die wij in het soldatenkoor zongen heb ik
nog bewaard, zoals: “Vlaamse kermis” van Hulzebroek, “Im mai“ van Jurgens
en “Die nacht” van Schubert. Onder leiding van pater Odekerk, professor
in de kerkmuziek, zongen wij ook in de kapel van de abdij. Achter de abdij
lag een voetbalveld, hiervan mochten wij op afspraak gebruik maken. Er
werd veel aan sport gedaan, iets anders was er in het dorp ook niet te
beleven. Er waren bij de sectie verpleging vier korporaals, deze regelden
het huishouden.
Iedere dag werden vier soldaten aangewezen om bij toerbeurt het eten
op te halen. Dit onder leiding van een van de vier korporaals. Ik moest
me bezig houden met de verdeling van het eten, in hoofdzaak het vlees,
de haché of wat er anders nog op tafel kwam.Wanneer er iemand mopperde
dat zijn stuk vlees of vis te klein was, dan zei ik:”begin maar al vast
er blijft wel iets over”. Wanneer iedereen zijn portie had dan riep ik
de soldaat die te weinig had gekregen terug. De rest van het overgebleven
eten werd verdeeld onder de etenshalers, dit werd zo eerlijk mogelijk gedaan
om geen moeilijkheden in onze groep te krijgen. In de naast ons gelegen
1e sectie werd er vaak gevochten om het overgebleven eten. Omdat er op
onze kamers geen tafels en stoelen stonden wegens plaatsgebrek, ( tussen
de bedden waren enkel smalle gangetjes), werd er zittend op de bedrand
gegeten.
Zie foto nr. 21.
Op deze foto ziet u het zwarte bord waarop de namen van de etensdragers
werden geschreven.
De kerstboom laat zien dat wij alles probeerden om in ons kwartier
toch gezelligheid te brengen. De kerstboom staat tussen het keukengereedschap
in.
Blijf kijken ,blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers.
email: haijdenh@brunssum.net
Deel 24
Gezelligheid was troef in onze groep. De verstandhouding was uitstekend, al zaten er drie “hollanders” uit Amsterdam, Vlaardingen en Sint Oedenrode tussen de Limburgers.
Op de foto : nr. 22
ziet u dat onze jongens goed geluimd waren na hun slaap die overdag
gehouden werd, omdat wij hoofdzakelijk´s nachts opereerden. In verband
met koninginnedag werden er op 29 en 30 april 1940 sportdagen georganiseerd.
De eerste dag was er een voetbaltoernooi, dit werd gehouden op het voetbalveld
achter de abdij. De deelnemers waren elftallen van verschillende legeronderdelen.
Ook wij hadden uit 26 kamergenoten een elftal samengesteld. Onze luitenant
Loesberg was ook van de partij. Er werden wedstrijden gespeeld die 40 minuten
duurden, na enkele wedstrijden gewonnen te hebben werd er door ons in de
laatste beslissende wedstrijd verloren. De tweede dag was er een 5 km.
Lange veldloop met hindernissen, ook hier deed ik aan mee, ondanks mijn
zere enkel van het voetballen. We startten met vijftig deelnemers. De veldloop
ging over ongelijke veldwegen, een pas omgeploegde akker, een stijl bergje
met mul zand, en over heggen. Door het gebrek van een bij deze veldloop
passende training werd het een lijdensweg. Vooral wanneer je zag dat er
in de verte al groepen mensen liepen die met deze tak van sport vertrouwd
waren. De laatste honderd meters werd er nog een looppasje ingezet. Het
nemen van de laatste hindernis, over een paar smalle planken een vier meter
breed water overbruggen, liep van vermoeidheid helemaal mis. Er kwamen
veel deelnemers in het water terecht. Nadat ik mij als 18e- had gemeld
bij de wedstrijdleiding was het hoog tijd om droge kleren aan te trekken.
Drie dagen later toen ik van verlof terug kwam werd ik op weg naar mijn
standplaats Heeswijk in de trein onwel. Mijn hele lichaam bibberde van
de kou, terwijl er op mijn voorhoofd zich dikke zweetdruppels vormden.
Toen er nog pijn in mijn buik bij kwam vroeg ik mij af, heb ik iets te
koud gedronken, of heb ik tijdens mijn verlof te veel paaseieren gegeten.
Na enige tijd werd de pijn heviger, ik ben toen bij aankomst op het station
in Den Bosch naar het kantoor van de stationschef gegaan. Hier werd een
dokter gebeld, deze gaf mij na een onderzoek een paar pijnstillers en de
goede raad mij te melden bij de geneeskundige dienst. Nog diezelfde nacht
ben ik overgebracht naar het ziekenhuis van Den Bosch.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers