Op 6 mei 1940 werd ik voor het eerst in mijn leven in een ziekenhuis opgenomen. Na het eerste onderzoek begreep ik nog steeds niet dat ik een acute blindedarm ontsteking had. Wat er verder op mij af zou komen werd mij niet medegedeeld. Ik wist dan ook niet wat mij overkwam toen er een verpleegster met een karretje aankwam, ze ontblote mijn onderlijf. Met een scheerkwast en zeep werd de rechterkant van mijn onderlijf ingezeept. Waarom moest dat?. Hier had ik nog nooit van gehoord, en dat deze handelingen ook nog door een jonge verpleegster werden gedaan. Vond de dominee of rector van het ziekenhuis dit wel goed?. Toen werd er met scheren begonnen. Omdat het een schrijnende pijn veroorzaakte dacht ik, die heeft ook niet het scherpste mes genomen. In mijn achterhoofd de gedachten, stel je voor dat mes wel vlijmscherp was, ik moest er niet aan denken wat er kon gebeuren wanneer het mes zou uitschieten. Hierna werd ik naar de operatiekamer gereden, liggend op de operatietafel werd mijn gezicht bedekt met een soort masker met slangen. Ook hier werd mij niet uitgelegd wat de bedoeling was. Er werd mij gevraagd, nadat er een vreemd luchtje door het masker binnendrong, diep in te ademen. De vreemde geur werd steeds sterker, ik weet niet of anderen dit ook zo beleefden, opeens hoorde ik een kinder klokkenspel. Eerst de lage tonen tot de hoogste tonen toe, terwijl er nog een flinke scheut van die geur binnendrong probeerde ik nog wat frisse lucht te bemachtigen en viel dan met muziek in slaap. De volgende ochtend tijdens de visite van de dokter vroeg ik of het thuisfront gewaarschuwd was en hoe lang ik in het ziekenhuis zou moeten blijven. In die tijd was het gewoon dat je na zo'n operatie dertien dagen bedrust moest houden. De volgende dag werd mij gevraagd of ik pap lustte. Nou, daar had ik wel zin in, maar liggend een glas pap drinken viel niet mee, iets overeind komend en steunend op mijn linkerarm ging het beter.
Na enkele lepels genomen te hebben vond ik het genoeg. Omdat mijn buikspieren
niet mee werkten viel ik iets te hard achterover. Alle pap kwam weer naar
boven en tot ongenoegen van de zaalzuster kwam een gedeelte hiervan op
het beddegoed en het nachtkastje terecht. De vierde dag van mijn verblijf
in het ziekenhuis werden wij, terwijl het nog schemerde, wakker van een
geroezemoes op de gangen. Deuren gingen open en dicht, ook op straat was
het rumoerig. In eerste instantie werd er aan een ongeluk gedacht. Naar
mate de dag vorderde druppelde de berichten binnen dat de Duitsers Nederland
waren binnen gevallen. Al snel hoorden wij dan ook de eerste schoten vallen.
Na enkele uren kwamen er hospitaalsoldaten en verplegers mijn kamer binnen.
In mijn pyjama werd ik van mijn bed getild en op een draagbaar neergelegd.
Van deze soldaten hoorde ik dat alle militaire patiënten uit dit ziekenhuis
werden overgebracht naar een locatie achter de “waterlinie”. Buiten het
ziekenhuis stonden twee autobussen klaar, uit een van deze bussen waren
de banken verwijderd. Twaalf patiënten werden op de vloer neergelegd
en met een deken bedekt.
Deel 26
Het overbrengen van de zieken soldaten naar veiliger oord werd een ware
spookrit. Liggend op de bodem van de bus hoorden wij dat er luchtgevechten
waren, je hoorde het zware luchtdoel geschut. Opeens hoorden wij mensen
juichen, wij konden niets zien maar vermoeden dat er een vijandelijk vliegtuig
was geraakt. Het duurde enige tijd voor dat de tocht begon. Alle persoonlijke
en medische gegevens moesten worden meegenomen. Voor de zwaar zieke patiënten
ging er een medische begeleider mee. Onze persoonlijke bezittingen werden
nagestuurd. De straten waren voorzien van kinderkopjes, het gehobbel werd
menige patiënt fataal. Er moest dan ook vaak gestopt worden om bewusteloos
geraakte patiënten te verzorgen. De wegen waren overbezet met optrekkende
soldaten en legervoertuigen. Over de smalle Slaperdijk werd nog maar stapvoets
gereden, opeens moest de chauffeur van de bus remmen, een vliegtuig dat
in de problemen was geraakt wilde gaan landen. Door de voorruit van de
bus kon ik nog net zien dat de piloot op het laatste moment de Slaperdijk
in de gaten kreeg. En nog net kon opstijgen om niet tegen de verhoogde
dijk aan te vliegen. Over en weer werd er geschoten, de avond was intussen
gevallen en de chauffeur maakte de lampen van de bus aan. Na enkele meters
werden wij door de politie aangehouden en moesten de lichten worden gedoofd.
De chauffeur probeerde nog met doeken het licht te dimmen, maar dit werd
niet toegestaan. In het donker zonder licht werd er verder gereden, hopend
dat er niets zou gebeuren. Maar op een gegeven ogenblik reed de bus tegen
een voor hem rijdende vrachtauto, de patiënten rolden over elkaar
heen. De chauffeur stapte snel uit en schreeuwde dat wij ook moesten uitstappen.
Ik sloeg een deken om mij heen en klauterde de bus uit, daar stond ik dan,
in de kou met alleen, een ziekenhuis hemd aan. Boven ons hoofd waren luchtgevechten
en een eind verderop woedde een hevige brand.
Volgens de burgers die toegesneld kwamen was dit het vliegtuig dat
wij eerder gezien hadden. Toen bleek dat er bij de bus geen brand uitbrak,
mochten wij weer instappen om de tocht voet te zetten. Maar toen bleek
dat de besturing van de bus niet werkte, door de harde klap waren de wielen
geblokkeerd. Een in de buurt wonende smid wilde door middel van een brander
de wielen vrij maken, maar dit werd niet toegestaan, men was bang dat we
vanuit de lucht werden gezien door vijandelijke vliegtuigen. Omdat niet
was voorzien dat de tocht zo lang zou duren was er voor de mensen geen
drinken en eten voorhanden, honger en dorst deed zich dan ook gelden. In
de vroege ochtend werd er bij een boerderij gestopt, hier werd ons iets
te drinken aangereikt. Deze drank was koud en deed ons toch al koude lichaam
dan ook geen goed. Op 11 mei om 7 uur kwamen wij na een barre tocht in
Haarlem aan.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers