Deel 27
 

De zieke soldaten uit de tekenschool moesten op controle bij de militaire arts. Dit gebeurde in een bijgebouwtje van de kerk. Omdat het mooi weer was stonden wij buiten op onze beurt te wachten. Opeens kwam daar een lange, slanke officier op zijn fiets aangereden. Aan de soldaat die naast mij stond vroeg ik: “ Wie is die man? ” Het was dokter v.d. Meulen, de befaamde doelman van het Nederlands elftal. Toen ik bij hem kwam gaf hij mij 6 weken corvee verlof. s´ Middags moesten wij naar een bijeenkomst in een cafézaal, omdat wij door de Duitsers verplicht werden om voor Duitse officieren te salueren, was er een Duitse luitenant die ons de rangen in het Duitse leger moest leren. Maar wat de man ook probeerde, tot zijn grote ergernis lukte het hem niet ons die rangen bij te brengen.Het was eind mei toen de mobilisatie werd afgekondigd. Nadat wij onze “groot verlof” pasjes hadden gekregen werd ons medegedeeld dat er vanuit Haarlem alleen een trein ging naar Arnhem. Op het station was het een drukte van jewelste, van alle kanten kwamen de soldaten die huiswaarts keerden. In Arnhem aangekomen snelde iedereen naar het voorplein van het station, in de hoop een vervoermiddel te vinden voor verder transport. Steeds maar vragend hoe toch maar verder te komen. Bij een kleine vrachtauto stonden een groep soldaten, er vielen harde woorden, de chauffeur was kennelijk niet bereid op het verzoek van de soldaten in te gaan. De soldaten tilden toen met z´n allen de auto op en draaide deze om in de richting Nijmegen, de chauffeur had toen geen keus meer. Met de anderen mee sprong ik ook in de laadbak, de chauffeur zette ons toen in Nijmegen af. Hier viel de groep uiteen, iedereen dacht “iedereen zorgt voor zichzelf, God voor allen”. Nu liep ik dan in mijn eentje steeds maar vragend door de onbekende stad. Tijdens de rit op de vrachtauto had ik iets opgevangen dat er een tram zou rijden van Nijmegen naar Venlo.
Met die hoop ging ik op een flink bebaarde man af die op een stoel in de deuropening zat en vroeg hem naar de tram. “ Nee “, zei de man, “die tram loopt al jaren niet meer “. Hij vroeg waar ik heen moest. “ Naar zuid Limburg “, gaf ik ten antwoord, toen kreeg ik een adres waar ik door een poort naar binnen moest. Hier moest ik maar vragen of ik met een vrachtwagen, die naar Valkenburg ging om materiaal te halen, mee mocht. Ik dankte hem en ging op weg, onderweg bedacht ik dat wanneer ik zou vertellen net uit het ziekenhuis te zijn ontslagen, ik misschien meer kans zou hebben. Strompelend liep ik de poort binnen, daar zag ik dat de, met zeildoek overspannen, vrachtwagen al vol stond met soldaten. Nadat ik aan de chauffeur mijn doktersrecept en mijn handicap had laten zien mocht ik als derde man mee, voor in de cabine. Onderweg naar het zuiden moest er vaker gestopt worden, de banden aan de rechterkant van de auto werden te warm en begonnen te stinken. De oorzaak hiervan was het drukke verkeer in beide richtingen waardoor de chauffeur steeds over de sterk naar buiten hellende rechter kant moest rijden. Hierdoor kwam het dat het gewicht van de lading ook naar rechts helde. In het schemerdonker kwamen wij aan in Roermond, degene die zuid Limburg in wilde moest zijn verlofpasje laten afstempelen. Het opschrift van de stempel was “Ortscommandatur Roermond“ een adelaar en hakenkruis, daarna mocht je verder. Er was afgesproken dat de chauffeur niet iedereen voor de deur zou afzetten, zo kwamen wij in de buurt van Hoensbroek aan. Omdat dit voor mij ook gunstig uitkwam liep ik met degene die ook in de cabine had gezeten een eind mee naar Hoensbroek. Omdat het lopen mij nog steeds zwaar viel moest ik mee gaan naar zijn huis waar ik een fiets kon lenen. In het donker en totaal onbekend in deze buurt vertrok ik, nadat hij mij zo goed als het ging de richting had gewezen. Na een poos gefietst te hebben werd ik omgeven door een lichtbundel, boven mij en achter mij. Ik stapte vlug af en ging in een portiek staan, je wist maar nooit. Maar de lichtbundel verdween even geluidloos als dat hij gekomen was.

Toen er verder op weer een lichtbundel verscheen zag ik de contouren van de kolenmijnen, die kant moest ik dus niet op. Het was de eerste keer dat ik een lichtfakkel zag.Hoe ik er gekomen ben weet ik niet maar opeens herkende ik de Dorpstraat in Brunssum. Toen was het voor mij gebakken, tjonge,jonge, wat was die Schinvelderweg lang geworden. In Haarlem hadden de geruchten de ronde gedaan dat Limburg zwaar gebombardeerd zou zijn. Dus mijn gedachten waren, wat is er nog  over en wie leeft er nog. Ik kon niet snel genoeg in Schinveld komen, het was ongeveer 2 uur in de nacht toen ik met tranen in mijn ogen om de hoek van het Wilhelminaplein de Beekstraat in fietste waar ik woonde. Hier smakte ik van oververmoeidheid en spanning tegen het wegdek, dit was niet erg, want ik was weer thuis. Nadat ik vele malen gebeld en op deuren en ramen geklopt had kreeg ik toch een naar gevoel, tot  er een raam open ging en er iemand riep, wie is daar?. Ik herkende de stem van mijn zwager slager Dohmen. “ Hier, ik ben het, Pierre “, was mijn antwoord. Mijn vraag:” Waar is mam? “ ging toen verloren in allerlei gestommel en geroep. De grootste vraag van de familie was:” Wat is er met je gebeurd en was je zwaar gewond?”. Want op de kaart van het ziekenhuis die ze tien dagen na mijn opname hadden ontvangen stond niet vermeld waarom ik was opgenomen.
 

Foto: nr.   23.        ( uit de oude doos )Voor het oude gemeentehuis 
 

 Deel 28
 

Mijn broer Frans was buitengewoon dienstplichtig, dat wil zeggen dat hij alleen in speciale gevallen kon worden opgeroepen. Omdat mijn moeder niet alleen in huis wilde blijven ging zij, toen Frans ook werd opgeroepen slapen bij mijn zus. Zo kwam het dat ik haar bij mijn thuiskomst niet aantrof. Na de meeste op mij afgevuurde vragen hebben beantwoord was er voor mij nog maar een ding belangrijk n.l. eten. Na mijn vertrek uit Haarlem had ik niets meer genuttigd. Het enige wat voor ons telde was naar huis, ik vroeg dan ook om mijn lievelingskostje, een boterham en een stukje leverworst met azijn. Het bleef niet bij een stukje leverworst war overigens nog steeds mijn lievelingskost is. Na mijn honger gestild, en de dorst gelest te hebben ging ik na lange tijd weer slapen in mijn eigen bed. De volgende morgen werd ik gewekt door het klokkengelui, en omdat ik mijn moeder hoorde lopen over de houten keukenvloer dacht ik: “ Het kon wel zondag zijn “. Het was de gewoonte van mijn moeder naar de eerste mis te gaan ( 6 uur ) . Ik stond op en trok mijn burgerkleren aan en ging met haar mee. Bij het verlaten van de kerk zag ik mijn broer Frans in de kleine bankjes zitten, hij droeg het legerpakje met een witte band met het rode kruis erop. Ons gezin was nu weer compleet. Het werk op de losvloer werd weer opgenomen, en het leven van alledag voor de mobilisatie ging weer zijn gang. De rust was niet van lange duur, de bezetter kwam steeds met nieuwe voorschriften en veranderingen. Alles kwam op de bon, hiervoor werden distributiekaarten uitgedeeld. Wanneer men dan een bepaald artikel had gekocht werd dit op de kaart afgetekend. Je kwam dan voorlopig voor dit artikel niet meer in aanmerking. Ook was er een rijksdistributiekaart voor levensmiddelen, het nummer en de verkrijgbare artikelen werden door de overheid vastgesteld. Omdat het werken in de mijn zwaar en ongezond was kregen de mijnwerkers een toeslagbewijs voor extra rantsoen.

Op allerlei gebied was het behelpen om aan een bepaald artikel te komen, en kon het gebeuren dat de fietsbanden die ook op de bon waren niet te krijgen waren. Er werden dan maar dikwandige luchtslangen om de velgen gespannen. Door een oude band in te korten en in de versleten band te plakken kon je weer een tijdje vooruit. Er kwamen ook speciale fietslampjes waar om het glazen bolletje een zwarte laag zat, dit om het licht te dimmen. Omdat je met het licht dat door het kopspeld grote gaten scheen niets kon zien werd er geprobeerd om dit groter te maken. Bij volle maan was het geen probleem om zonder licht te rijden, maar wanneer het bewolkt was reed je met zekere angst. Zo kon het gebeuren dat ik van middagdienst afkwam, rijdend met een pittig gangetje, het lampje brandde dan feller, toen ik over het Bodemplein plotseling een schim voor mijn fiets zag en promt tegen de vlakte ging. Na een tijdje hoorde ik een vrouwenstem die tegen mij begon te schelden. “ Kun je niet beter uitkijken “, het antwoord dat ik haar gaf is niet voor herhaling vatbaar. In het donker was het moeilijk mijn fiets terug te vinden. Op de tast vond ik eerst een wiel en daarna hield ik het stuur in mijn handen. Toen kon ik mijn thuisreis voortzetten.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers

Terug naar startpagina

email: haijdenh@brunssum.net