Er wordt mij wel eens gevraagd of ik alleen maar van die naargeestige
dingen heb beleefd en nooit iets leuks. Natuurlijk heb ik ook leuke dingen
meegemaakt. Veel plezier heb ik beleefd door voor andere mensen iets te
kunnen doen. Al meer dan zestig jaar ben ik lid van de fanfare, veel oudere
leden weten dat ik vaak actief was bij o.a. een feestweide, de bouw of
verbouwing van ons lokaal. Te beginnen in 1931 als lid van de toneelvereniging
“ Deo Junante “. Er werd twee maal per jaar een voorstelling gegeven, dat
betekende een decor samenstellen en in elkaar timmeren. Daarna was er het
opbouwen van het decor in het groot patronaat.
Op foto nr. 24. Toneelvereniging Deo Juvante.
Toneelvereniging Deo Juvante bij het afscheid van Kaplaan Kisters ±
1934.
Zittend v.l.n.r. Jan Roex, Felix Beumers, Jan Rademakers, Kapl.Kisters,
Jan Pagen regiseur, Jan Gelissen, Theo Peters,
2e rij: Leo Sturmans, Pierre Rademakers, Herm. Fliescher, Jos Roex,
Wen Fliescher, Arn. Franssen, Ant. Jacobs,
3e-rij: Ant. Benders, Frans Franssen, Louis Scholl, Frans Geraets,
Karel Gelissen, Leo Selker en Karel van Nuys.
Van de leden uit die tijd ben ik de enige die hier nog over kan vertellen. Frans Palant (overl) die geen lid was, was wel een van de medewerkers, hij schilderde het decor. Zef Rouschop, die thans aan de Bouwbergstraat woont, kwam wanneer er een groot karwei was, als timmerman helpen. Wanneer ik door ons dorp wandel of langs de huizen fiets, denk ik wel eens bij hoeveel familie´s vrienden of andere inwoners ik als eens geholpen heb bij kleine en ook grotere karweien. Ook in andere dorpen heb ik karwei (tjes) opgeknapt, o.a. in Brunssum, Heerlen, Koningsbosch en Posterholt. Zelfs in de stad Luxemburg ging ik op werkvakantie. Voor mij waren dit leuke belevenissen, dit alles onder het motto “vriendendienst”. Met deze zinspreuk ben ik dan de bezettingstijd ingegaan. Het was 1942 toen er bij mijn toekomstige schoonouders, fam. Selker, de eerste onderduikers werden binnengehaald. Deze mensen werden gebracht door een contactman uit Hoensbroek met de schuilnaam ome Kees. Enkele dagen later werd er s´nachts bij de fam. Selker op het raam geklopt, nadat de twee onderduikers in veiligheid waren gebracht werd er opengedaan. Het was ome Kees die voor de deur stond, hij vertelde dat er bij hem thuis, terwijl hij op pad was, een inval geweest. Er was van alles in beslag genomen, maar gelukkig geen onderduikadressen. Ome Kees vroeg toen om onderdak, wekenlang heeft hij zijn snor laten staan ook liet hij zijn bakkebaarden langer groeien en zette hij een bril op. Dit alles om maar niet erkent te worden,er was echter een ding wat hij niet kon veranderen, hij was bij een ongeval ondergronds zijn linker vinger kwijt geraakt. Mijn schoonzus Ton heeft ome Wim later als blinde man naar Brabant gebracht. Door deze actie ging mijn hart sneller kloppen voor deze mensen en ik besloot me dan ook voor dit werk in te zetten.
Deel 30
Deze aflevering wil ik beginnen met te vermelden dat ik op 12 augustus
1942 op 28 jarige leeftijd in het huwelijk trad met de 25 jarige Corry
Selker. Het eerste half jaar hebben wij bij de fam. Theunissen aan de Kloosterlaan
op een paar kamers gewoond. Het was vanaf de Kloosterlaan niet ver naar
het huis van mijn schoonouders. Hier waren wij druk bezig met het maken
van een vluchtruimte voor de onderduikers in tijd van nood. Uit de houtenvloer
van de achterste kamer werd een luik gezaagd, en in de zandgrond die zich
onder de vloer bevond werd een flinke leefkuil gegraven, waar een paar
mensen in konden vertoeven. Wanneer er gevaar was, ontdekt te worden, konden
de onderduikers een grotere wigdeur “ een soort lade “ onder het luik schuiven,
het enige wat dan nog zichtbaar was, was stof en andere rommel. Op een
dag moesten in opdracht van de bezetters door iedereen alle radio´s
worden ingeleverd, dit om te voorkomen dat er nog naar de verboden zenders
geluisterd kon worden. Door onze familie werd er op de plaats van de radio
een oud toestel neer gezet, de andere radio werd in een dubbelwandige houten
wand ingebouwd zodat wij toch nog naar radio Oranje uit Engeland konden
luisteren. De ziekenzuster en een mede zuster uit het klooster kwamen geregeld
informeren naar de oorlogsberichten. Plotseling kwam ons ter oren dat er
mensen uit de naaste omgeving zich afvroegen wat die zusters toch zo vaak
bij de familie Selker deden. Dit was voor ons een teken dat wij moesten
gaan oppassen, er werd meteen iemand tot “zieke” gemaakt. Alle betrokkenen
werden ingelicht wie de zieke was. Dit om te voorkomen dat er tegenstrijdige
verhalen werden verteld. Ook de zusters kregen de waarschuwing op hun tellen
te passen. Maanden later werd er een van onze onderduikers ziek, de ziekenzuster
vreesde voor zijn leven. Hier moest een dokter bij komen maar het toeval
wilde dat onze eigen dokter, Dr.Meeuwissen, afwezig was.
Zijn vervanger was als ik me het nog goed herinner Dr. Nieuwenhuizen.
Bij elkaar zittend werd er overlegd wat te doen. Wat is die dokter voor
een man. Is hij te vertrouwen?.Allemaal vragen die niemand kon beantwoorden.
Er waren twee mogelijkheden, de zieke aan zijn lot overlaten en misschien
wel dood laten gaan of het risico lopen dat een of meerderen van ons opgepakt
zouden worden. We hebben toen toch maar besloten om de dokter te laten
komen. Het bleek een goede beslissing te zijn geweest, na een lange behandeling
heeft de zieke onderduiker het toch overleefd. Eens hebben wij toch nog
flink in angst gezeten, de Duitsers waren toen al op de terugweg, wij lagen
met verschillende kinderen op de speeltuin toen er plotseling kogels om
onze oren vlogen. Toen wij naar binnen renden zagen wij dat er vijf SS
ers aan de voordeur stonden. Nu is het onze beurt, dachten wij. Maar de
SS ers vroegen enkel om onderdak, dit verzoek werd door ons afgewimpeld
met de mededeling dat het gezin al uit 10 personen bestond en dat er geen
plaats was. De onderduikers zaten te bibberen in hun schuilplaats en konden
het hele gesprek volgen. Toen de SS ers weer waren vertrokken wilden de
onderduikers uit hun schuilplaats te voorschijn komen. Dit lukte niet omdat
ze de wigdeur te hard hadden dichtgeslagen, met een breekijzer hebben we
ze moeten bevrijden. Wat waren wij opgelucht toen de Duitsers weer vertrokken
want in het huis lagen veel belastende dingen zoals procesbrieven van de
ondergrondse verzetbeweging.