Van deze moderne school hebben wij jongens niet lang mogen genieten.
In 1925 werd deze school omgedoopt in een meisjesschool. Wij moesten toen
voor de dames wijken en werden weer ondergebracht in de oude jongensschool
( Eindstraat ). In die tijd kon mijn moeder, na het overlijden van mijn
vader, nog een extra centje gebruiken. Zij gaf zich op voor het onderhoud
van de nieuwe school en het poetsen van de kerk. Dit werk deed zij samen
met een tante. Een keer per jaar, meestal voor de kerstdagen kreeg de kerk
een grote beurt. Al het koper uit de kerk moest dan gepoetst worden. Omdat
er in de kerk geen verwarming was, werd dit werk thuis gedaan. De toenmalige
koster Jansen liet dan de grote kroonluchter naar beneden zakken, deze
werd gedemonteerd en in teilen en wasmanden bij ons thuis gebracht.
De kroonluchters werden eerst van het kaarsvet ontdaan, daarna behandeld
met heel fijn zand vermengd met azijn. De ergste aanslag werd hiermee verwijderd,
hierbij hielpen de oudste kinderen mee. Het poetsen hierna met koperpoets
deden de vrouwen liever zelf. Het onderhoud van de school, dat was hard
aanpakken. Iedere woensdagmiddag alle klaslokalen aanvegen, de zware twee-zitsbanken
moesten dan opzij geschoven worden. Ook de w.c.´s kregen dan een
goede beurt, lange gangen werden om de zoveel tijd gedweild. Zodra het
kouder werd kwam er nog een zwaar karwei bij, n.l. het schoonmaken van
de zes kolenkachels. De beide dames gingen dan al vroeg de deur uit om
de kachels aan te maken. Ze moesten dan eerst de asladen leeg maken, als
de kinderen dan op school kwamen was het lekker warm in de klas. Het ging
niet altijd erg vlot met het aanmaken van de kachels. Als er weinig of
geen trek in de schoorsteen was wilde de kachels niet branden. Als de school
uit was, ongeveer vier uur, gingen wij oudste kinderen met de vrouwen mee
om alles voor de volgende morgen klaar te zetten. Er moesten aanmaakhoutjes
gehakt worden en dikker hout klaargezet worden. Zelf was ik meestal in
de kolenkelder om met een mokerhamer stukjes kolen van de dikke brokken
schachtkolen af te slaan. Daarna vulde ik de kolenbakken, die ik dan trapje
op trapje af moest sjouwen. Dat was vaak zwoegen, en zwart dat je er van
werd. Voor al het werk, de school en de kerk, mochten de dames een paar
honderd gulden in ontvangst nemen. Het onderhoud van de school is later
door de kloosterzusters overgenomen.
In de eerste bijdragen van mijn verhaal had ik eigenlijk moeten vermelden dat ik alleen schrijf over wat ik zelf beleefd en meegemaakt heb. Bij alle zeer positieve reacties wordt mij vaak gevraagd over zaken te schrijven die ik niet persoonlijk heb beleefd. Het betreft vaak dingen die ik dan wel weet van anderen. Om deze dan correct weer te geven, daar heb ik dan te weinig gegevens voor. Het blijven dan ook beelden uit MIJN kinderjaren. Het was niet zo dat ik thuis de enige was die mijn moeder meehielp, ook mijn oudere broer en zus moesten hun steentje bijdragen. Mijn oudste broer, die vier jaar ouder was, is na zijn schooltijd gaan werken als leerling timmerman bij een timmerbedrijf in Brunssum. Mijn zus, die twee jaar ouder was, moest, wanneer mijn moeder, vooral in de winter vroeg de deur uitging, zorgen dat wij, de drie jongsten, ontbijt kregen en warm gekleed naar school gingen. Na haar schooltijd is mijn zus ook in betrekking gegaan. Omdat er in die tijd weinig openbaar vervoer was, kwam zij evenals mijn broer niet dagelijks naar huis. Wanneer je de schooltijd achter je had, bestond er de mogelijkheid om lid te worden van de " Jonge Wacht " ook wel het jongenspatronaat, het latere K.A.J. gebouw. Deze " Jonge Wacht " stond tot 1923 onder leiding van kapelaan Durlinger, later kapelaan Kisters met hulp van oudere leden. Naast lezingen die werden gegeven, soms met lichtbeelden door de kapelaan, werden er ook spellen gedaan. Naast het kaarten, kienen, dobbelen en dammen stond er ook een tweedehands model biljard. Op tourbeurt met groepjes van vier mocht je dan een kwartier biljarten. De prijs hiervoor was drie cent. Als ik naar de bijeenkomst ging kreeg ik van thuis 10 cent mee om de contributie te betalen de overige 5 cent mocht ik naar eigen goeddunken besteden. Wanneer er aan de tafels of het biljart geen plaats was, werden er plaatjes gekeken in panorama´s of de katholieke illustratie.Er was ook gelegenheid om te sparen, de kapelaan zorgde dan voor een spaarbankboekje van de boerenleenbank. Zodra je de leeftijd van veertienjaar bereikt had mocht je overstappen naar de " Jonge werkman ". In deze groep werden niet alleen spellen gedaan maar ook aandacht besteed aan ernstige zaken, zoals wat je tegen komt als je gaat deelnemen aan het arbeidsproces. Tijdens één van de vergaderingen van de " jonge werkman " werd het idee geopperd om net als andere Limburgse afdelingen het universele uniform aan te schaffen. Dit uniform bestond uit een groen overhemd met een embleem op de gestikte zakken, een bruine stropdas, een bruin alpinopetje met een driehoekig embleem en een 10 cm. brede, elastieke, zwarte gordelriem. De prijs van dit uniform bedroeg 9 gulden. Alle jongens moesten met hun ouders praten over de mogelijke aanschaf. Ik wist meteen dat ik er thuis niet over zou praten want dit was niet haalbaar. Tijdens één van de volgende bijeenkomsten hadden de meeste jongens goedkeuring van hun ouders of had al geld bij zich, ik deed dan net of ik het vergeten was thuis te vragen. Een mogelijkheid om de kapelaan hierover onder vier ogen aan te spreken deed zich die avond niet voor, ik ben toen de volgende dag de kapelaan toestemming gaan vragen deze 9 gulden van mijn spaarbankboekje af te halen. Hij beloofde dit voor mij te doen en zo kreeg ik dan ook mijn uniform.Op foto nr. 8. ziet u vier leden van de "jonge werkman", Leo Selker, Zef Gelissen, Pierre Rademakers en Frans Offermans.
Op mijn 28-ste verjaardag besloten mijn toenmalige verloofde en ik te
gaan trouwen. Meester Baggen, die tevens kassier van de boerenleenbank
was, had in de kerk gehoord van ons voornemen. Een paar dagen later, toen
ik met mijn fiets van het werk kwam zag, de meester mij en riep: " je moet
je geld maar van het spaar-bankboekje komen halen". " Och meester " zij
ik, " daar staat toch niet veel op ". De meester was het hier niet mee
eens. Toen ik dan het geld ging afhalen bleek dat de 9 gulden van het uniform
niet waren afgeschreven. Wie het uniform betaald heeft weet ik niet. Kapelaan
Kisters was inmiddels overleden, dus stond er op mijn spaarbankboekje het
volle bedrag van F. 23,93 Omdat ik nu toch kapitaalkrachtig was, ging ik
een week later met mijn moeder naar Heerlen. Daar kocht ik een tweedelig
zomerkostuum voor de prijs van F. 16,70 en had dus nog geld over.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers
Email: haijdenh@brunssum.net