Deel  9

 Langzaam kom ik met mijn verhaal aan het einde van mijn kinderjaren. Toch wil ik nog even een paar karweitjes uit die tijd vertellen. In de kachels van vroeger werden niet alleen houtjes en kolen gestookt, veel van het afval wat nu in de vuilniszak hoort verdween vroeger in de kachel of het fornuis. Oude schoenen, klompen, fietsenbanden en gedroogd afval uit de tuin. Het afval van de kolen, kolengruis, kreeg een aparte behandeling. Onder een afdak werd het kolengruis vermengd met water en stro. Door er met de klompen doorheen te lopen ontstond er een soort van deeg, hiervan werden blokjes gemaakt, deze werden gedroogd. Dit gebeurde later ook met het kolenslik, sjlam genoemd. Door de sjlam werd ook wel paardevijgen, in plaats van gehakt stro gemengd. Dit alles werd gebruikt als " afdek " in de kachels. Een nog steeds terug kerend karwei was het legen van de beerput . In het najaar, wanneer de tuin omgespit werd, verdwenen in iedere sleuf een paar emmers van dit afval. Dit tot ongenoegen van de omgeving. Omdat onze tuin in het verlengde van de Beekstraat lag konden veel mensen van onze onaangename geur genieten. Dit afval mocht niet op elke plek ondergespit worden, niet te kort bij de kruisbessen bijvoorbeeld, de weckglazen zouden dan vlug opengaan en niet te kort bij de prei, dan kreeg je last van wormsteek enz. Aan deze raadgevingen hadden wij jongeren geen boodschap want die put moest leeg. Ondanks dat het verboden was werd de rest van het afval uit de beerput, wanneer er voldoende water stroomde, in de beek gedumpt. Wanneer je als jongen in het voorjaar de tuin moest omspitten werd je weer met allerlei goede raad opgezadeld. Men gebruikte toen ook de kunstmest, kali, of thomasslakken, maar wat voor de ene plant goed was deugde niet voor de andere plant. Het ergste vond ik nog de goede raad van voorbijgangers. Voor ons gezin was de tuin belangrijk maar het is nooit mijn hobby geweest. Als het werk op het veld of in de tuin af was mocht je gaan spelen. Wij, de jongens van de Beekstraat, voetbalden de meeste tijd. Je maakte een rond balletje van oude lompen met touw er omheen en het spel kon beginnen. Het speelveldje was op de hoek bij de poort van Geraets tot voorbij café Walraven, nu discotheek Meetpoint. Het doel werd met kledingstukken aangegeven. Minder leuk was het wanneer de stoffen bal in de beek terecht kwam, je stond er dan na het voetballen erg gevlekt op. Dat sporten op straat kon doorgaan als de kantonnier Theunissen het goed vond. Wanneer de straat werd voorzien van een nieuwe laag kiezelstenen behoorde het voetballen op de speelplaats nabij het nieuwe patronaat.

Zie foto nr. 9 gemaakt in 1920 zonder het klooster en de meisjesschool

De speelplaats lag echter vol met steentjes, en onze tot boven de knie lange wollen kousen konden hier niet tegen. Via een karrespoor kwam je achter het patronaatsgebouw, daar lag de " kaalplaats " een schotelvormige plek, deels zand, deels vaste grond. Met een door de voetbalclub afgekeurde bal werd er op klompen, afgedragen schoenen of te grote werkschoenen voetbal gespeeld. Het echte voetbalveld van de V.V. Hendrik lag aan de Duikerweg, in de zo-genaamde Frins wei, waar nu het tenniscomplex ligt. Hier werden ook andere sporten bedrijven en sportfeesten georganiseerd. Nu kennen wij de wielerronde van Schinveld. In het verleden werden er in Frins wei ook baanwedstrijden verreden. Om het voetbalveld werd door middel van fel gekleurde latjes de ovale wielerbaan afgebakend. Het meest boeiden mij de koppelwedstrijden, met het koningskoppel de Schinveldenaar Leo Wolfshagen en de uit Hoensbroek afkomstige Köfler deze twee waren dan ook meestal de winnaars.
 
 

Deel   10

Even een opfrissertje. In deel twee schreef ik over het bouwen van nieuwe klooster, waar ik als veertienjarige zonder werkvergunning te werk werd gesteld.U herinnert zich misschien het voorval met de schoorsteen. In mijn eigen biografie heb ik een apart artikel geschreven over het wel en wee tijdens de nieuwbouw en de verbouwing van het aangrenzende patronaatsgebouw tot een groot geheel. Een passage hieruit is, elke metselaar aan dit project moest eerst een proef metselwerk neerzetten. De houten vloer in de grote zaal was al verwijderd, daar werd dan plat op de grond een houten balk neergelegd waar iedere metselaar uit de vrije hand een metselwerk moest maken. Zonder hulpmiddelen moest er een metselwerk van ongeveer twee meter lang geleverd worden. Het resultaat hiervan was dat na het keuren door de opzichter Kroneburg,
die overigens door de kloostergemeenschap was aangesteld, veel metselaars moesten afhaken. Ook voor het metselen van de binnenmuren die, met stukwerk of tegels werden afgewerkt, kwamen enkele metselaars zelfs niet in aanmerking. Hierdoor ontstond er tijdens de bouw een tekort aan metselaars, einde citaat. Na verloop van tijd was het metselwerk af en togen metselaars en handlangers naar een volgend groot project, de bouw van de tweede Astoria bioscoop in Rumpen, Brunssum. Deze werd gebouwd in opdracht van de gebroeders Godfried en Arnold Thissen uit Schinveld. Niet dat het klooster nu al af was, daar moesten nog veel vakmensen aan te pas komen. Er moesten enkele mensen,waaronder ook ik, achter blijven. Of het niet op de tekening stond of dat men het vergeten was, er waren bij de bouw van het klooster geen openingen voor doorlaat van rioolbuizen, verwarming, water en licht gemaakt. Dagenlang kappen met hamer en beitel was het gevolg. Vooral in de kelders met knoerharde betonnen muren was er haast geen doorkomen aan. Na enkele dagen werden wij afgelost omdat onze polsen niet meer  meewerkten. Hierna togen ook wij naar de bouwplaats in Brunssum, dit betekende iedere dag te voet heen en terug.
Het loon was nog steeds 6 cent per uur of f.2,50 per week. Deze bouw, gelegen honderd meter van het Lindeplein, bestond uit links een café. In het midden een doorgang naar de bioscoopzaal en rechts een tabakswinkel. Na het gereedkomen van de fundering en de kruipruimte, die 1,60 meter hoog was werden de houten balken gelegd. Deze waren door Math Heinen en mij vooraf met carboleum bestreken. Daar wij dit karwei bij zonnig weer geklaard hadden was ons vervelde lichaam hiervan getuigen. Verder deden wij het voegwerk, en moesten de jutten cementzakken worden uitgeklopt voor hergebruik. Wat een stof, je moest dan ook rekening houden met de windrichting. Tijdens zijn werk boven de kruipruimte riep opeens een metselaar dat zijn metselhamer was gevallen en of ik die naar boven kon brengen. Met een kort laddertje klom ik vanaf de zijkant naar een deuropening via de zwart gekleurde balken naar een andere deuropening, daar botste ik tegen een in het kozijn getimmerd plakje en viel toen hotsend en botsend door de balken de 1,60 meter hoge kruipruimte in. Ik dacht alles gebroken te hebben zo´n pijn deed het. Later tijdens deze bouw moest ik het eerste gedeelte van de gevelspits gaan voegen, de langste ladder stond aan de achterkant van de steiger maar was een halve meter tekort om op de werkvloer te komen. Deze ladder werd dan maar zo recht mogelijk tegen een staander van de steiger gezet. Met in de ene hand een emmer half vol cement ( specie ), troffel en een voegijzer en met de andere hand de wiebelende ladder in bedwang houdend, klom ik naar boven. Op de voorlaatste sport van de ladder staand probeerde ik de emmer op de werkvloer te plaatsen, maar dit lukte niet. Dan maar naar de laatste sport. De ladder steeds in de gaten houdend vergat ik te kijken bij het rijken naar de laatste sport. Ik greep toen mis en viel achterover, 6 a 7 meter naar beneden, deze keer kwam ik alleen met de schrik en zonder pijn vrij. Wel kreeg ik van de opperman op mijn donder, omdat ik niets gezegd en iets was gaan drinken. Overigens, vanwege het warme weer kregen wij van de familie Thissen iedere week een vaatje bier, maar dit lauwe bier dronk ik niet graag.
Blijf kijken, blijf lezen, ik kom terug.
Pierre Rademakers

Terug naar startpagina
 

email: haijdenh@brunssum.net